Lampedusa

Vandaag mag je alles doen wat je wil. Dat had ik mezelf vanochtend voorgenomen toen ik het hotel uit liep, maar nu sta ik in de zoveelste boetiek en wil ik nog altijd niks. Ik voel onbestemd aan de stofjes - kasjmier, zijde - en draai prijskaartjes om zonder enige interesse in de getallen. Ik schuifel door de synthetische geur van gloednieuwe luxe, langs de op kleur gesorteerde rekken en perfecte stapeltjes, richting de uitgang.

‘Grazie,’ glimlach ik voor de vorm naar de vrouw achter de kassa, voordat ik de drempel over stap.

‘Ciao.’

Ik voeg me weer in het getoeter van brommers en het geklik van hakken op de Romeinse keien en probeer te genieten van de stad. Marmeren goden kijken naar me vanaf hun smetteloze sokkels. Ik ga de hoek om en word verrast door een aangevreten zuilenrij. Het zonlicht kaatst over krullerige dakornamenten. Elke steen is mooier dan nodig, elk raam bedruipt met overdaad, alsof iemand met zijn arm over heel Italië heeft geveegd en alle schoonheid hier heeft opgehoopt. Het stoort me.

Ik hijs mijn rugzak op om mijn schouders een seconde van verlichting te geven. Mijn buik voelt nog steeds zwaar van de gnocchi en gelato die ik vanmiddag at, maar die me niks deden. Het is alsof er een onzichtbaar, maar duidelijk voelbaar vliesje zit tussen mezelf en al het genot van deze stad. Er doorheen prikken voelt als verraad.

Bij de Trevifontein wurm ik mezelf door de drommen toeristen en ga ik op een bankje zitten. Ik haal mijn rugzak van mijn schouders en graaf mijn portemonnee op. Terwijl ik hem open, kijk ik toe hoe een Amerikaanse vrouw naar de camera lacht, een muntje over haar schouder gooit en het water mist. Het schijfje klettert op een uitstulpende rots. Ze springt nietsvermoedend op en inspecteert het resultaat op de telefoon van haar man: ‘Perfect!

Ik vis een willekeurig muntje uit mijn portemonnee. Vijf cent. Het koper heeft precies dezelfde roestbruine tint als de boot die de kustwachter op Lampedusa me eergisteren had laten zien.

‘Hiermee komen ze nu vanuit Tunesië,’ had hij uitgelegd. ‘Aan elkaar gelast en gelijmd ijzer. Levensgevaarlijk. Een beetje water erin en hij zakt letterlijk onder je voeten vandaan.’

Ik had aan het loeihete ijzer gevoeld en me geprobeerd voor te stellen hoe het moest zijn om daar dagenlang tegenaan te hurken. Een ervaring waar ik met mijn ongehavende handen naar kon reiken, maar die ik onmogelijk kon aanraken. Ik dacht weer terug aan hoe er al geultjes angstzweet in de groeven van mijn eigen handen verschenen, toen het vliegtuig me rustig ronkend naar het eiland bracht.

De kustwachter had me zijn wiebelige, zelf-opgenomen iPhone-filmpjes laten zien. Uit de mini-speaker trilde het angstaanjagende gekletter van water dat naar binnen sloeg; de schreeuwen van paniek. Vanaf het strand, waar het klotsende turquoise aan onze voeten als vakantie klonk, zag ik door zijn telefoonscherm wat hij kilometers verderop op de open zee had gezien: dat zwarte, schuimende monster, waarin een mens spartelt voordat zij wordt opgeslokt.

Ik wrijf over mijn muntje. Het stukje metaal dat ik van plan was om zelf te laten zinken, en dat vervolgens te bestempelen als geluk.

Ik stop het muntje terug in mijn portemonnee en verschuif mijn focus naar de slagroomwitte paarden boven het geglinster.

‘Dat zijn de paarden van de zeegoden’, had meneer Haverblok uitgelegd toen ik ze voor het eerst zag, tijdens de Romereis in 5 VWO. ‘Zie je hoe die linker rusteloos is en de rechter kalm? Dat staat symbool voor de grilligheid van de zee.’

Meneer Haverblok had de afbeeldingen op de façade toegelicht op dezelfde zangerige toon als waarmee hij in de klas de Aeneas, het epische heldendicht van Vergilius, voorlas: ‘Ik bezing de oorlog en de man, die als eerste vluchtend door het noodlot vanaf de kusten van Troje naar Italië kwam.’

Met elke versregel die we uit het Latijn vertaalden, leerden we meer over Aeneas’ vluchtverhaal. De oorlog had zijn huis verwoest. Hij was zijn vrouw en al zijn vrienden verloren. Met zijn vader op zijn rug en zijn zoontje aan de hand zwierf hij door onbekende gebieden en doorstond hij de pijn van honger. Hij overleefde een schipbreuk, waarna hij, vanaf de kust van het hedendaagse Tunesië, midden in de nacht opnieuw in een boot stapte en uiteindelijk in Italië terechtkwam.

In de jongens die ik op Lampedusa ontmoette zou Vergilius net zulke helden hebben gezien. Vooral in de jongen naast wie ik op een muurtje in het vluchtelingenkamp zat, omringd door de indringende zurigheid van rottend afval en opeengepakte lijven. Om ons heen hokten mensen samen op ranzige bedden van schuimrubber, starend naar telefoons die geen bereik hadden. De jongen op het muurtje was een jaar of twintig misschien en gaf, met zijn ogen verstopt achter een neppe Prada-zonnebril, de intimiteiten van zijn tocht bloot.

‘Je kan veel zeggen van Libische mensensmokkelaars, maar ze liegen niet,’ begon hij. ‘Als ze zeggen dat je boot naar Italië gaat, dan ga je naar Italië. En als ze zeggen dat je tot halfnegen ’s ochtends hebt om ze te betalen, dan heb je geen seconde langer. De jongen die naast me sliep had het geld niet. De volgende ochtend zag ik hem weer.’

Hij leek even te twijfelen, friemelde aan het verwassen touw-armbandje om zijn pols en vervolgde: ‘Althans, zijn hoofd. Afgehakt en op een stok gespietst.’

Ik staarde naar het olieachtige geglim van zijn zonnebril, met die dolk aan informatie tussen mijn ribben. Ik schaam me nu voor hoe ik wou dat ik hem niks gevraagd had. Hoe ik gepijnigd slikte en er niks uit mijn mond kwam - niet eens een zachtjes gepreveld ‘het spijt me.’

 ‘Ik heb nog geluk,’ zei hij gauw,’ ik had op tv gezien dat mensen in Europa naar de psycholoog gaan en heb nu ook hulp gevonden.’

Hij werkte nu als vrijwilliger in de medische kliniek en deed me in dat opzicht denken aan Sohrab, de Iraanse jongen die ik een paar jaar eerder in een vluchtelingenkamp in Griekenland ontmoette. Sohrab had ook gruwelijke dingen meegemaakt, maar weigerde zich daardoor te laten kenmerken. Terwijl alle vluchtelingen in de rij wachtenden voor de thee aansloten, stapte hij naar voren om me te helpen met het inschenken. Hij kwam naast me staan achter de wankele tafel, pakte een stapel kartonnen bekertjes en hield de bovenste onder de thermostuit. Ik duwde op de plastic hendel. Onder het gerochel waarmee de industriële thermos een stoot thee uitkotste, vervaagde de scheidslijn tussen ons tweeën. Sohrab leek opgelucht om ook een keer iets te kunnen geven; een rol die ik al die tijd voor mezelf had ingepikt.

‘Je kunt degenen die leven om de ander te helpen, herkennen,’ zei journalist Katherine Whitehorn ooit, ‘aan de getergde blik in de ogen van de ander.’

Ik knipper naar het kuuroordblauwe fonteinwater en vraag me af of ik ben geworden waar Whitehorn op doelde: iemand die te vervlochten is geraakt met haar fluorescerende hulpverlener-vestje; die in al haar ijver de plank misslaat.

Ik dacht altijd dat mensen in nood helpen het allermooiste was wat je kon doen met je leven. Die drang om het allemaal te willen verzachten, gemengd met dat schurende gevoel van onrecht, was wat me naar al die vluchtelingenkampen had gebracht. Ik had me nooit gerealiseerd hoe raar het eigenlijk was om mijn eigen levensgeluk te zoeken op het snijvlak met andermans leed.

Ik denk terug aan al die keren dat ik in uitgeputte ogen keek en beschaamd moest constateren dat ik niks anders kon bieden dan zeggen hoe erg ik het vond. Aan al dat donker dat ik me voornam om te verlichten, maar alleen maar opzoog in mijn eigen lijf. Al die dolken aan informatie, die ik vervolgens tussen de ribben van mijn eigen dierbaren stak, omdat ik vond dat zij het ook moesten weten.

Nu pas zie ik hoe ik per ongeluk de wankele grens over ben gegaan. Hoe ik gaandeweg de helden alleen maar ben gaan betreuren; ben gaan belasten met mijn medelijden. Hoe ik de pijn niet kon wegnemen, maar ook niet kon vergeten, en daardoor een steeds kleinere, eelterige versie van mezelf werd.

Een peuterjongetje met ijsvlekken op zijn shirt hobbelt mijn zichtveld in en trekt me mijn hoofd uit. Hij zwaait, meer gecharmeerd van de mensen op de bankjes dan het water achter zich. Ik zwaai terug en zie hoe aandoenlijke kuiltjes zijn wangen in boren. Zijn smurfenlach echoot tegen de façade van uitgehouwen spierbundels. Het geluid heeft een golf-effect; iedereen om ons heen verzacht. Dit is het, denk ik terwijl ik mezelf hardop hoor meelachen, dit is hoe je de wereld daadwerkelijk verlicht.

Ik vis het muntje terug uit mijn portemonnee en steek hem uit naar de moe-ogende vrouw die achter hem aan scharrelt. Ik wijs naar het jongetje en dan naar de fontein.

For him,’ stel ik voor, ‘if he wants to throw it?’  

‘Grazie,’ ze neemt het muntje aan.

De vrouw tilt het jongetje de rand op en gaat naast hem zitten, haar vingers strak om zijn middel geklemd. Ze doet voor hoe hij het muntje over zijn schouder moet gooien en geeft hem aan.

Hij stopt hem in zijn mond.

‘No, amore,’ ze peutert het muntje uit zijn mond en doet het nog een paar keer voor met langzame armgebaren.

Ze geeft het muntje terug en hij houdt hem stil in zijn hand, alsof hij de informatie probeert te verwerken. Ik kijk hoopvol toe.

Dan schiet zijn arm omhoog. Het muntje tuimelt naar voren en mist het water. Hij schaterlacht.


Gepubliceerd in Hard//Hoofd (2024), thema-nummer 4.

Next
Next

Het nieuwe Asielpact: Over onzekerheid, verlaagde standaarden en problemen die blijven